De klank van de Camino

De pikzwarte lucht maakt me bang. In de verte hoor ik het al donderen. Op deze eenzame open vlakte heb ik nergens beschutting en ben ik een makkelijke prooi voor de bliksem. Ik weet niet goed wat te doen. Waarom heb ik me niet beter ingelezen over hoe om te gaan met dit soort omstandigheden? Ik denk dat ik altijd de dans wel zal ontspringen, maar dat is dom. Ook mij kan een ramp overkomen. In de verte zie ik de eerste bliksemschicht. Mijn hart bonst in mijn keel. Het komt snel dichterbij. Het is in handen van God, flitst het door me heen. Een vreemde gedachte, want ik ben niet religieus en heb zelfs een aversie tegen godsdiensten. 

Veel kan ik nu niet meer doen. Als het mijn tijd is, is het mijn tijd. Alleen nog hopen dat Hij me goed gezind is. De hemel licht op. De regen klettert op het pad. Mijn schoenen soppen, mijn natte haar plakt aan mijn gezicht. Mijn angst is verdwenen. Ik laat het maar gebeuren. Als het tijd is, is het tijd. Een reeks knallen rolt door de lucht, ik voel het zinderen in mijn lijf. Een vreemd gevoel van vrede maakt zich van me meester. Het is wat het is. Als het over is, dan is het over. Hoe ik me nu gelukkig kan voelen is een raadsel, maar dat is wat het is. 

Aan de andere kant van de heuvel zie ik ineens een klooster opdoemen. Ik dacht nog kilometers te moeten, maar het is er al. Bij de poort aangekomen klop ik aan. Ik hoor niets. Ik klop nogmaals. Dan geschuifel aan de andere kant van de deur. Een monnik in een lange pij en op sandalen doet open. “Welkom,” zegt hij, “we hadden je al verwacht”. Later dringen de woorden pas tot me door. Ze hadden me verwacht? Ik was van plan bij de volgende herberg te gaan slapen, niet in dit klooster. Het weer besliste alleen anders. De monnik stelt zich voor als Francisco en leidt me naar de eerste verdieping: een gezamenlijke doucheruimte en een lange galmende gang naar een sobere slaapkamer voor deze nacht. Een bed, een nachtkastje, een stoel en een crucifix boven het hoofdeinde. Deze herinnert mij aan de eerste keer dat ik in Spanje was, als jongetje van acht, zonder kennis van de Bijbel en de kruisiging van Jezus. Nadat mijn moeder me uitgelegd had wat er met hem was gebeurd en dat hij spijkers door handen en voeten had gekregen, kon ik de hele nacht niet slapen. 

“De mis is om vijf uur,” deelt Francisco mee. “We verwachten je op tijd.” Hij sluit de deur. Ik blijf overdonderd achter. Geen tijd om te zeggen dat ik daar eigenlijk geen behoefte aan heb. Maar niet opkomen dagen, na deze gastvrijheid, is geen optie. Om vijf voor vijf begeef ik me door de lange gangen naar de kapel. De gebedsruimte is klein en donker, met slechts een ronde opening in het midden van het dak. De laatste zonnestralen kleuren goud op het Mariabeeld. Op haar wang een traan. In haar armen de kleine Jezus, alsof ze weet welk noodlot hem te wachten staat. Er klinkt Gregoriaans gezang vanachter de kerkbanken. Acht monniken in lange bruine habijten komen voetje voor voetje naar voren. De stemmen galmen door de ruimte. Ik heb nog nooit zoiets gehoord. Alles klopt. De ruimte, de stemmen, de sfeer. 

De pastoor komt de kerk ingelopen. Van zijn gezicht straalt alleen maar goedheid. Dat zie je. Dat voel je. Hij gaat staan achter het altaar en kust een kruis. Hij kijkt rond in de kerk, kijkt me indringend en liefdevol aan. Verlegen sla ik mijn ogen neer. Ik voel me betrapt als atheïst. Hij glimlacht licht en knikt bemoedigend. Dan begint hij aan zijn betoog. Ik verwacht een ingewikkeld Bijbels jargon, maar niets is minder waar. Hij spreekt vol vuur, in verstaanbare taal, over de situatie in de wereld, je eigen wereld van invloed en over je eigen ik, het ego. Ik hang aan zijn lippen. Ik zou wel uren kunnen luisteren naar deze man. 

Ineens valt mijn oog op een koorknaapje. Hij is stilletjes vanaf de zijkant van de kerk naar voren gelopen en knielt neer voor de pastoor. De pastoor schrikt, even uit zijn doen. Plots is het doodstil in de kerk. Het koor houdt zijn adem in. De gelovigen kijken gespannen naar het schouwspel. Ik begrijp niet wat er gaande is, maar voel de spanning en in één klap is me duidelijk wat oorverdovende stilte is. “Sta op, mijn jongen,” fluistert de pastoor. Hij frunnikt nerveus aan het touw van zijn pij. Het knaapje staat met neergeslagen ogen op. Een oude vrouw komt overeind van een kerkbank. Nog steeds is het doodstil. Met kromme rug sloft ze naar voren. Haar broze lichaam beweegt traag, maar eenmaal bij het altaar haalt ze uit en met vlakke hand slaat ze het knaapje vol in zijn gezicht. Het geluid echoot door de ruimte. De toeschouwers houden hun adem in. Zonder een woord te zeggen draait ze zich weer om en schuifelt ze terug. Het ventje geeft geen kik en blijft staren naar de grond. De pastoor reikt naar zijn kin en tilt zijn gezichtje op. Hij kijkt hem diep in de ogen. De jongen probeert zijn blik te ontwijken, maar wordt gedwongen de confrontatie aan te gaan. Tranen vullen zijn ogen, snikken blijven achterwege. De pastoor glimlacht: “Ga zitten, vriend.” Met opgeheven hoofd loopt het knulletje terug naar de kerkbanken. Een diepe adem, een zucht van verlichting. 

Het orgel begint te spelen. De klanken weerkaatsen door de kerk, diep en indringend. De gelovigen staan op. Ik volg. De pastoor prevelt het gebed. Een kruisje sla ik niet; dat voelt schijnheilig. Als de mis afgelopen is, loopt iedereen naar buiten. Ik blijf nog even zitten, onder de indruk van wat ik gezien, gehoord en gevoeld heb. De pastoor, die al naar het achterkamertje was vertrokken, komt zachtjes terug. Zijn voetstappen klinken gedempt op het marmer. Hij wenkt me: “Kom hier, mijn zoon.” Een gevoel van warmte vult mijn lichaam. Onbewust wist ik dat ik moest blijven. Daar, in die kerk. Net zoals ik altijd wist dat ik deze Camino moest lopen. Geregeld vroeg ik het me af: waarom juist deze weg, en niet een huttentocht in Tirol? Hierom: voor de ontmoeting met deze man. De pastoor zwijgt. Ik ook. De stilte zegt alles. Een taal die iedereen begrijpt, die boven iedere godsdienst uitstijgt. Het ontroert me, en ook de pastoor laat het niet onverschillig. 

Na enige minuten doorbreekt hij de stilte: “Ik ben Padre Antonio, maar noem me zoals je wilt, wat voor jou goed voelt. Ik zou je graag uitnodigen voor een diner met mij vanavond.” “Dat neem ik heel graag aan, Padre Antonio,” stamel ik. Verder kom ik niet uit mijn woorden, ik voel alleen dat dit een godsgeschenk is. Ik grinnik in mezelf: een godsgeschenk voor deze godloochenaar.

Als ik twee uur later aan tafel schuif bij Padre Antonio is het inmiddels donker. De kamer wordt slechts verlicht met kaarslicht en de huishoudster schenkt de soep in. Padre Antonio bedankt haar en bidt kort.  “Eet smakelijk,” zegt hij en hij kijkt me vermakelijk aan. Hij lijkt een binnenpretje te hebben. Ook ik begin te lachen. Dan buldert Padre Antonio het uit. Het werkt aanstekelijk, ik verslik me haast in mijn soep. De tranen van het lachen rollen over zijn wangen. “Weet je,” zegt hij, “we nemen het leven gewoon veel te serieus. Dan zal je wel denken: wat doe je dan in een klooster?” Hij grinnikt nogmaals, knipoogt, slaat met zijn handen op zijn knieën, schaterlacht: “Welnee man, het is hier gewoon carnaval, iedere dag!”  Ik kijk hem verbaasd aan. “Carnaval?” Hij knikt. “Ja, amigo, wat zie je?” Ik kijk naar zijn pij, naar het touw om zijn middel. “Dit,” zegt hij, “is ook maar een kostuum.” Hij kijkt me indringend aan. “En jij? Wat heb jij aan?” Ik wil antwoorden, wiebel met mijn tenen in mijn wandelschoenen en leg mijn hand op mijn afritsbroek, en glimlach. Ook hij grijnst. “Precies, dát.”

Antonio slurpt het laatste restje soep naar binnen en pakt een fles wijn vanonder de tafel. “Hier gaan we op drinken.” Hij heft zijn glas. “Op het carnaval?” vraag ik schuchter. “Is dat niet wat hypocriet?” Padre Antonio kijkt me serieus aan, knikt en zwijgt even. “Zo zou je het kunnen zien, amigo mío, mijn vader vond ooit dat ik het klooster in moest en ja, op die leeftijd volgde ik, ik had geen keus en ja, het is hier één grote verkleedpartij, maar daar draait het natuurlijk helemaal niet om.  Uiteindelijk gaat het om hetzelfde: goedheid, liefde en berouw.” De stilte in de eetkamer wordt alleen doorbroken door het getik van het bestek tegen de borden.  “Maar wat doe je hier dan nog, Antonio?” vraag ik na een lange stilte. “Vind je dat niet hypocriet?”  “Het was mijn familie,” zegt Antonio zonder spoor van bitterheid. “Zij vonden dat dit mijn pad was, en dus begon ik eraan en tja, dan zit je erin. Ik ben hier gebleven omdat ik vanuit deze plek invloed kan hebben. Ik heb mensen onder mijn hoede die naar me luisteren. Ik wil ze geen ‘volgelingen’ noemen, dat wilde Jezus ook nooit, maar ik kan ze wel iets meegeven.”

Hij pakt nog een fles wijn vanonder de tafel. “En nu gaan we proosten, buen camino, amigo, op het spel dat we spelen!” Onze glazen raken elkaar. De klank zingt nog even na. We drinken.


Ontdek meer van FOOTSTEPS OF FREEDOM

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *